Walcheren
Nieuws
Nieuwsarchief
Volgende vieringen

Psalm 126 is een korte psalm van 6 verzen, die dan ook in zijn geheel terugkeert in deze tussenzang. De tussenzang/antwoordpsalm bestaat uit 4 strofen van elk 4 regels, waarbij vers 2 gesplitst is in 2a dat samen met vers 1 de eerste strofe vormt, 2b en vers 3 vormen de tweede strofe. De derde strofe is vers 4-5 en de laatste strofe bevat vers 6a+6b.

De herinnering aan de terugkeer uit de Babylonische ballingschap (538 voor Chr.) doet het volk van God smeken om de bijstand van de Heer in de actuele nood: vers 4a: “Keer nu ons lot ten goede, Heer”. De blijdschap die de terugkeer bracht, staat in fel contrast met de zorgen en de tranen van het heden. Maar het heden wordt met behulp van een beeld uit de landbouw voorgesteld als een periode waarin gezaaid wordt in de verwachting van de oogst, die daarop zal volgen.

Opvallend is dat de vertaling van vers 3b verschilt van de gebruikelijke vertaling. “Daarom zijn wij zo blij”staat in de tegenwoordige tijd, terwijl gewoonlijk verleden tijd wordt vertaald: “wij waren buiten onszelf van blijdschap”. De tussenzang-vertaling  laat a.h.w. de blijdschap om wat in het verleden gebeurde voortduren tot in het heden.

Ook in de eerste lezing (Jesaja 43,16-21) is de herinnering aan een ingrijpende gebeurtenis in het verleden de achtergrond voor de actualiteit. De profeet van Deutero-Jesaja voorziet de terugkeer uit de ballingschap (dat is hier de actualiteit). Die terugkeer zal de uittocht uit Egypte van toen overtreffen. Toen (ongeveer 1250 voor Chr.) werd door de zee een weg aangelegd door de Heer, maar nu onderneemt de Heer iets nieuws: een weg zal Hij aanleggen door de steppe. “Denk niet meer aan het verleden en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is: Ik onderneem iets nieuws, het begin is er al: ziet ge het niet?”