Walcheren
Nieuwsarchief
Volgende vieringen

Vier strofen van elk 4 regels is de literaire vorm die gegeven is  aan de tussenzang uit psalm 138 (een psalm van lof en dank, die in 8c besluit met een smeekbede, in de bewoording van de antwoordpsalm: “vergeet het maaksel van uw handen niet !”) Een aantal dingen zijn opmerkelijk. Strofe 1 is samengesteld uit vers 1a+b en 2a, maar tussen 1a en 1b is een vrije regel ingelast: “”omdat Gij naar mijn bidden hebt geluisterd”. Vers 2a is gescheiden van 2b, dat het begin is van strofe 2, waar verder toebehoren: 2c en 3.  Vers 4 en 5 vormen strofe 3. Uit psalm 138 worden dan vervolgens vers 6 en 7a overgeslagen. Strofe 4 ten slotte bestaat uit 7b en vers 8.

In de niet opgenomen verzen 6-7a wordt gezegd dat God zich het lot aantrekt van iemand die onderdrukt wordt en door vijanden bedreigd. Deze verzen worden in zekere zin “samengevat”in vers 7b: “Steeds is uw uitgestrekte hand mijn redding”. De tussenzang vormt het antwoord op de lezing uit Jesaja 6,1-2a.3-8. En door dit zinnetje, dat op zich ook in meer algemene zin verstaan kan worden, brengt hij in herinnering hoe daar in de tempel van Jerusalem een van de serafs  met een gloeiende kool de mond aanraakt van de profeet die zijn zending ontvangt en waarbij de woorden klinken: “Nu dit uw lippen aangeraakt heeft zijn uw zonden verdwenen, uw misstappen vergeven”. Reiniging is ook een vorm van redding.

Vooral de eerste strofe van de tussenzang herneemt datgene wat gehoord werd in de eerste lezing. Hierin wordt de zending van de profeet immersgesitueerd in de tempel, de plaats van gebed, het heiligdom waar men komt om zich neer te buigen.

Strofe 1:  U wil ik prijzen, Heer, uit heel mijn hart,
                omdat Gij naar mijn bidden hebt geluisterd
                Ik zing voor U en alle hemellichamen
                En werp mij neer, gebogen naar uw heiligdom. 

(“gebogen naar uw heiligdom” wijst in de setting van de psalm zelf overigens eerder naar een geografisch aanmerkelijke afstand t.o.v. de tempel)

En ook het besluit van strofe 2 bevat een element dat als rechtstreekse reactie op de lezing verstaan kan worden. “Gij hebt mij altijd nieuwe moed gegeven” herinnert aan de bemoediging die de profeet in spe ontvangt door de reiniging van zijn lippen en die hem het antwoord in de mond geeft op de vraag die hij de Heer temidden van diens hemelse hofhouding hoort stellen: “Wie moet ik zenden ? Wie zal voor ons gaan?  En ik antwoordde: “Hier ben ik, zend mij !”  (Jesaja 6,8).