Walcheren
Nieuwsarchief
Volgende vieringen

Op zaterdagavond 1 juni 2013 was er in de Willibrordkapel te Domburg een viering van woord en communie.  In dit weekend van Sacramentsdag preekte pastoraal werker Bernard van Lamoen over de kernhandelingen in de eucharistieviering. Hieronder de hele tekst:

Beste medechristenen,

 We hebben vandaag een communieviering op Sacramentsdag. De dag waarop de instelling van de eucharistie centraal staat. Een van die dagen bij uitstek om eucharistie te vieren. Nou ja, dat is niet alleen deze dag, maar eigenlijk elke zondag.

Het is belangrijk dat wij ons goed te binnen brengen wat er in de eucharistieviering eigenlijk wordt gedaan, wat daar gebeurt. Het is immers omdat hier eucharistie gevierd is, dat wij vandaag een communieviering kunnen houden. Een communieviering wordt een farce zonder het besef dat de Heer zelf in ons midden is en zich aan ons uitdeelt in de gedaante van het heilig Brood. Het veronderstelt bij ons dus een eucharistische devotie, en is er ook een uitdrukking van. Een communieviering is niet hetzelfde als een eucharistieviering en komt er dus niet voor ‘in de plaats’. Het is in zichzelf juist een verwijzing naar de eucharistie, bouwt erop voort en grijpt er op terug. Het kan niet gevierd worden zonder dat er een eucharistieviering aan is voorafgegaan en staat er dus ook nooit los van.

En het allerbelangrijkste is: het gaat bij dit alles in de kern om Christus. En uiteindelijk dus niet om wat wij het mooiste of fijnste vinden of welke voorganger ons het meeste aanspreekt. Laten we dus eens stilstaan bij de viering van de eucharistie, de maaltijd van de Heer.

We stuiten hier op het mysterie, op het geheim van ons geloof. Niet geheim in de zin van dat je het niet mag weten, maar geheim in de zin van dat je het niet zomaar kunt weten. Je moet het gaandeweg al doende leren verstaan en gaan ervaren. En dat gebeurt doordat je erin opgenomen wordt, doordat je er deel aan krijgt. We stuiten op het mysterie van de kerk als gemeenschap. Zowel gemeenschap met God als met elkaar. Met ‘Lichaam van Christus’ wordt immers zowel het heilig Brood als de gemeenschap van gelovigen, de kerk, aangeduid. Als wij de communie ontvangen krijgen wij  deel aan die gemeenschap – communio. Het een is onlosmakelijk in het ander gegeven. 

In de tweede lezing horen we van Paulus wat de Heer deed in de nacht waarin Hij werd overgeleverd. Hij nam brood, dankte, en brak het. In het evangelie van de broodvermenigvuldiging, neemt Jezus brood, spreekt er de zegen over uit (in het verhaal van het Laatste Avondmaal bij Lucas wordt hier van ‘danken’ gesproken), breekt het en geeft het om uit te delen. Deze vier kernhandelingen komen terug in de viering van de eucharistie.

Allereerst het nemen van brood. Dat is het brood dat door de gemeenschap naar het altaar wordt gebracht. Het werk van onze handen. Hierin zit het zaaien en maaien, het dorsen en malen, en het kneden en bakken. Vele graankorrels vormen samen een brood. Evenals de wijn, die uit druiven werd gemaakt die door mensen handen werden geplukt en door mensenvoeten getreden. Dat alles brengen wij aan en laten wij nemen door de Heer. In dat gebaar gaat het dus om ons leven, wij bieden zo dus onszelf aan om door God te worden opgenomen en omgevormd. Dit gebeurt in de eucharistieviering tegelijkertijd met de collecte, waarin wij onze gaven verzamelen en dus ook zelf verzameld worden. In de offerande bieden wij dus met het samengebrachte geld onze spijs en drank aan. Daarom vinden we de offerande met het offerandelied alleen in een eucharistieviering. Het nemen van het brood door de priester staat voor het nemen van brood door de Heer.

In een communieviering is geen offerande. De collecte is dan ook op een apart moment waarin niets anders wordt gedaan. Er wordt geen lied gezongen, er is alleen orgelspel.

Vervolgens worden niet wij die het maakten en brachten om het te laten nemen bedankt, maar wordt God dankgezegd. Hierin uit zich het gelovige bewustzijn dat alles gave van God is. Ons hele mensenbestaan, ons werk, ons geld en ons verzameld zijn rond deze tafel is reden voor dankzegging. Het leven, lijden, sterven en opstaan van de Heer is er bij uitstek het onderwerp van. Die mysterievolle verbondenheid van Zijn leven met het onze wordt hier gevierd. Het eucharistisch gebed heet dan ook: de grote dankzegging. Hierin hebben de instellingswoorden die wij zojuist in de eerste lezing van Paulus vernamen hun plek. In het ‘dit is mijn Lichaam’ en ‘dit is mijn Bloed’ komt de werking en betekenis van het hele grote dankgebed samen.

In een communieviering heeft het danken een heel andere plaats en functie. We danken God na het ontvangen van de communie – als de cibories zijn teruggebracht naar het tabernakel.

Het derde gebaar van de Heer, het breken van het brood, komt in de eucharistieviering na de dankzegging aan de beurt. Hierin wordt uitgebeeld wat de Heer voor ons deed aan het kruis: Zijn lichaam, gebroken voor ons. Het gebaar van de broodbreking hoort, zoals we in de eerste lezing van Paulus vernamen thuis in de drieslag: nemen, danken, breken. Het is een gebaar van de Heer zelf. Denk hierbij ook maar aan de Emmaüsgangers, die vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe de Heer door hen herkend werd aan het breken van het brood (luc 24,35). Daarom, en door de samenhang met nemen en danken komt ook dit gebaar in de eucharistieviering aan de priester toe.

In een communieviering vindt dan ook geen rituele breking van het brood plaats. Er is dus ook geen Agnus Dei, dat immers dit gebaar van de priester in de eucharistieviering begeleidt.

In het breken zit ook de verwijzing naar wat er met het brood gedaan zal worden. Breken om uit te delen. Door het ene brood in stukken te breken wordt benadrukt dat wij straks samen deel krijgen aan het ene brood. Het gebroken brood dat ons tot een eenheid samensmeedt. Communio – gemeenschap.  Dat wat door ons werd bijeengebracht in de offerande wordt in de dankzegging omgevormd tot Lichaam van Christus. En in het breken wordt uitgedrukt dat de Heer zich voor ons heeft gegeven. Zo wil Hij gedeeld worden, opdat wij allen deel krijgen aan Zijn gang door de dood naar het leven. Zodat wij ons tot Zijn gedachtenis actief laten opnemen in Zijn beweging van verzoening en vrede. Het Brood wordt verdeeld tegen de verdeeldheid!

In het evangelie van vandaag neemt, zegent en breekt de Heer, maar in het uitdelen worden de leerlingen betrokken.  Dit laatste gebaar, het uitreiken van de communie, kan ook plaatsvinden op een andere tijd en plaats dan de eucharistieviering, waarin het werd geconsacreerd. Het is immers ons geloof dat de Heer in dit brood onder ons  tegenwoordig blijft, ook na de viering. De godslamp brandt ten teken van die aanwezigheid, wanneer het Allerheiligste in het tabernakel wordt bewaard. De communie kan zo naar gevangenen, zieken en stervenden worden gebracht die niet aan een eucharistieviering kunnen deelnemen. En, bij afwezigheid van een priester op zondag, worden uitgereikt in een communieviering.

U begrijpt dat dit pas betekenis heeft als wij al het andere indachtig zijn. Daarom wordt in een communieviering het heilig Brood vanuit het tabernakel met gepaste eerbied aangedragen. Hierbij gedenken wij zingend het leven, sterven en opstaan van de Heer en zijn leven gevende tegenwoordigheid in dit Brood.

In het ontvangen drukken wij uit dat wij ons open stellen voor wat God ons geven wil. De open, lege hand die wij ophouden geeft uitdrukking aan het diepere weten dat wij uiteindelijk leven van wat ons van Godswege wordt gegeven. En niet van wat wij grijpen. Daarom is het gebaar dat wij maken bij het ontvangen van de communie van groot gewicht. Een geloofsuitdrukking, een levensinstelling.

En hierna, begeven wij ons met opgeheven hoofd en vol goede moed terug de wereld in. Om ons leven te leven en te doen wat moet gedaan. Gesterkt met het Brood des Levens. God zij dank!  Amen.